Blikvangers 2025

Herontdekkingen in 2025
Het gaat niet om foto’s van 2025, maar om beelden die ik in 2025 opnieuw ontdek. Dit jaar heb ik besloten al mijn foto’s af te drukken. Daardoor blader ik door oude series, herbekijk beleefde momenten en kies er een aantal uit om hier te delen.

Een jongen speelt met de grove lijnen van een veld, lijnen die ver reiken en zo scherp contrasteren met de beperkte vrijheid van het gesloten centrum in Sterrebeek waar we aan het demonstreren zijn.
Een jongedame aan Flagey, gevangen in drie poses. Ik geef de serie de naam Mens erger je niet – wat ging er door haar hoofd? Dacht ze aan de slapende jongen in een trein, omringd door gekromde vensters? Zijn spiegelbeeld vergroot zijn slaap tot iets monumentaals.

Of aan een familie in de Seychellen, midden in een sloppenwijk. Een kraan die de lucht kleurt en het straatbeeld in twee snijdt, alsof ze een opstap vormt naar de hoge torens van Brussel. Een tweede kraan – misschien omdat ik graag omhoog kijk?
De rokende man ontmoet ik in Helsinki, een tussenstop in mijn reis naar India. Triest, maar mooi in zijn vensterportaal. Ik sprak hem niet, maar hij liet zich fotograferen.

Dan mijn favoriet: de Zuidtoren, gezien vanaf Kappelen in Brussel. Graffiti op de omheining tekent lijnen die de torens nog verder opdelen in verdiepingen. En dat gevonden kader in de kelder van mijn gebouw: Hitler tussen het grof vuil. Wie hield dit bij? Was het een geschenk? Veranderde de eigenaar van gedachte? Vindt hij hier uiteindelijk zijn plaats – tussen het afval?

De oude dame in Brugge laat het aan haar voorbijgaan, genietend van haar moment voor het huis, kijkend naar voorbijgangers. Zoals de jonge vader met zijn zoon, samen de oceaan aanschouwend. Voor hem was het de eerste keer dat hij de andere kant van zijn eiland zag.
De vele kinderen op dezelfde reis naar de Seychellen – een brug naar mijn wereld.

Een wereld met sporen en treinen waardoor ik wandel, zoals deze man in Bulgarije of de wachtende man in het Noordstation. In rechte lijn door de Ardennen.
De vele daklozen in Brussel blijven mijn dagelijks beeld bepalen, in schril contrast met de jonge vrouw hoog boven iedereen, zonnebril, zelfverzekerd.

Een beeld uit Texas dat me terugbrengt naar een bevreemdende muur met een vendingmachine in het station van Jemelle en een verhaal uit Polen. Een ontmoeting na de val van de muur, een eenzame Coca-Cola-automaat in een sombere gelagzaal. “Deze brengt nu tenminste wat kleur,” vertelde iemand me.

En tenslotte: een zetel langs een verlaten weg in het binnenland van Spanje. Zou hier soms iemand wachten op een bus? Om gladiolen te kopen in de stad – roze, niet Sarahs lievelingskleur, maar wel haar geboortebloem.

Sesel

Pou nou zoli pei 
Deside pou ou pas servi en sak plastik ozordi, sa pou ede gard Sesel prop e zoli. 
Merci pou ou zefor
Management ‘Terminal Shop’


We zijn er al!

Tobo en de jongen zitten op de rand van de vliegende boot, hoog boven de brandende wereld. De zon hangt als een onverzettelijke schijf aan de horizon, alsof ze weigert onder te gaan. Hij kijkt naar de jongen,die zijn impressies vastlegt in zijn schriftje. De kapitein, een Skiroop, verkondigt een aantal te weten feitenover deze reis, maar Tobo hoort alleen de stilte in zichzelf. Hij is een chaoot, een verloren reiziger, een man die zich afvraagt of hij ooit thuis zal komen. Tobo’s vingers krullen om een blauwe veer, een herinnering aan een ongewenste vreemdeling, die nu ergens ondergedoken is, onbereikbaar als altijd. Hij voelt de warmte van de afwezigheid, de kilte van de onuitgesproken woorden. Hij was een gewenste vreemdeling, iemand die overal welkom was, maar nergens thuis. Zijn paspoort was een verzameling stempels van werelden die hem ontvingen, omarmden. Hij was de gast die altijd bleef, de buitenstaander die nooit echt binnenkwam. Dat was zijn kracht, en zijn vervloeking.

Ze droeg haar identiteit als een mantel, een kleur die de wereld uitdaagde. Vluchtelingen zoals zij dragen hun verleden als littekens, zichtbaar voor wie wilde kijken. Ze was geen gewenste vreemdeling zoals hij—zij was een ongenode waarheid, een spiegel die hij niet durfde te breken.

Hij sluit zijn ogen. De jaren ontvouwen zich als een film, een stroom van beelden die hem overspoelt. Computers uit vergeten tijden, reclamebeelden die fluisteren over een toekomst waarin technologie niet heerst, maar dient. Hij ziet hoe nutteloze snufjes als redding worden verkocht, hoe vernieuwing sneller komt dan gebruik, hoe geheugen verdampt in de haast van nieuwe opslag. Hij herinnert zich Enni zijn glastop, een transparant toestel die zijn input via onze ogen krijgt, een holografische aanwezigheid die hem omhult, hem verleidt met levendige stemmen en genegenheid. Zij leert hem dat liefde niet altijd antwoordt, dat strijd soms de enige taal is die blijft.

Hij staat op, loopt naar de reling, en kijkt omlaag naar het donkere leegte. Ze zijn omringd door Skiropen, met hun draaiende organen—altijd in beweging, altijd ergens. Misschien zijn ze niet zo anders dan hij.

Papa, waarom hebben zij maar één voet?

Skiropen, dondergroen, als sprankelende druppels van een vergeten woud hebben een enkelvoudige romp als lichaam, gedragen door één voet die zich hecht als een ademende zuignap. Met sprongen, doorkruisen ze hun wereld, dansend tussen lucht en aarde. In hun midden draait een geheimzinnig orgaan, een wervelende kern van zintuigen: oog, oor, mond en neus in één, wisselend als een fluisterende wind. Wat voor ons een beperking lijkt, is voor hen een gave: hun blik is sneller dan onze gedachten, hun waarneming scherper dan het licht dat ons omringt.

Omdat ze niet stil hoeven te staan, jongen. Ze springen van de ene plek naar de andere, altijd in beweging.

En wij dan?

Wij… wij proberen te begrijpen waar we zijn. Maar soms is het beter om gewoon te springen.

De Skiropen lijken deze wereld beter te begrijpen dan wij ooit hebben gekund. Ze hebben zich organisch verweven met haar ritmes, terwijl wij onszelf moesten aanpassen met implantaten, tot we half-mens, half-machine werden. Skiropen maakten de omslag van ongewenst naar onmisbaar. Tobo voelt een beklemming in zijn borst. Had hij de wereld waaruit hij vlucht begrepen of net niet? Alles draait in een vreemde orde, een cirkel zonder begin.

Waarom ben je hier? had hij haar gevraagd. Ver in het Noorden was zijn ziel verdronken in iemand die hij dacht te kennen. Nu, hoog in de lucht, voelt hij zichzelf wegzinken—niet in water, maar in een strijd zonder einde, in de chaos die hij zelf belichaamt. Misschien is chaos slechts een andere vorm van bestaan. Ze was gevlucht voor de wreedheid van haar land. Nu scheidt de oorlog hen, en hun woorden zijn niet langer een brug maar een muur.

De stad ademde rustig, maar hij niet. In dit café, zijn glastop als schild, waarin zijn gedachten als gevangenen zweefden, kwam ze binnengewandeld. Donker, haar ogen leken te antwoorden op vragen diehij niet durfde te vragen. Zijn ogen dansten over zijn geschriften in het geheugen van zijn glastop, creëerden woorden waarvan hij zich afvroeg of iemand die ooit zouden lezen. Wie kent mij eigenlijk? De vraag brandde, maar hij liet hem niet ontsnappen. 

Ze kwam dichterbij. Haar parfum, warm en kruidig, drong door zijn afweer. Je schrijft, zei ze, niet als vraag, maar als vaststelling. Haar stem was laag, een fluistering die langs zijn ruggengraat kroop. Ik vlucht, dacht hij. De vraag maakte hem angstig. Was hij bereid te spreken waarover hij schreef? Was het niet bedoeldvoor schimmen in zijn spel van verlangen en vlucht. Het schenkt me de mogelijkheid ongezien te zijn, lachte hij. Haar zachte lach dwong hem haar aan te kijken. Dan ben je hier verkeerd. Dit is een plek om gevonden te worden. Hij wilde weg, maar zijn lichaam weigerde. Hij speelde met zijn fantasie. Haar hand lag nu op de tafel, vingers gespreid, alsof ze een uitnodiging uitstrekte. Zijn gedachten waren een oorlogsveld. Waartegen vecht ik eigenlijk? Je denkt te veel, zei ze, terwijl ze zijn glastop wegklapte. Praten is vermoeiend. Ze legt haar vinger op zijn lippen, alsof ze hem het zwijgen wil opleggen, doch het zachte aanraken vertelthem iets ander. Je bent niet dom, fluisterde ze. Je bent alleen bang om te leven. Kon ze lezen wat hij schreef? Ze valt terug op haar stoel en speelt met een blauwe veer. Kom me halen, zei ze, en ze verdween in de menigte. Ik wil gevonden worden. En ze gaf hem de veer. Hij bleef achter, zijn hoofd een wirwar van vragen. Waar moet ik heen? Wat moet ik doen? Maar voor het eerst in jaren voelde hij iets anders dan vermoeidheid. Hij voelde hoop. Hij merkt dat de glastop opnieuw openstaat. Een vergissing? Of een droom? Hij kijkt recht in een kogelpunt die op eenzelfde afstand van hem bleef en de beweging van zijn hoofd volgde, zwevend voor zijn voorhoofd. Een belofte van vernietiging die niet komt, maar ook nooit verdwijnt. Zoals chaos. Zoals eenzaamheid. Zoals liefde die nooit terugkeert. Enni heeft dit gesprek toch gevolgd en presenteert hem haar beeld.

Papa, waarom heb je die blauwe veer? Is ze magisch? De veer was blauw, de kleur van de horizon op haar thuisplaneet—een wereld waar de lucht nooit helder was, altijd gevuld met as en beloften. Blauw is de kleur van wat we verliezen, had ze gezegd, toen ze hem de veer gaf. Maar soms is verliezen het enige wat ons vrijmaakt.

Tobo draait de veer tussen zijn vingers: Nee, jongen. Het is… een herinnering. Aan iemand die overtuigd isdat je moet vechten om de wereld te veranderen, iemand die de wereld zag zoals die echt is. Niet zoals de meesten willen dat hij is. De veer, bijna gewichtloos, de beloften die ze samen deelden. Beloften die, net als deze veer, wegwaaien in de koude storm van gescheiden werelden. Blauw, de kleur van een horizon, de dromerige sensuele sfeer die hem ontglipte. Veren zijn in mijn land boodschappers van geesten, dragers van wat niet gezegd hoeft te worden. Ze keek hem koel aan en met een gebaar dat zowel teder als uitdagend was, leidt ze zijn hand met de veer naar de warmte van haar lichaam, waar de wereld even ophield met draaien.

Vecht je?
Hij glimlacht, moe, alsof het woord zelf een last is.
Soms weet ik niet waarvoor. Misschien is vechten gewoon een manier om te ademen.

Zij koos voor vlees en bloed. Wij voor circuits en stilte. Een vreemde wordt gekoesterd zolang hij niet wortelt. Daarna wordt hij gewoon – en niets is gevaarlijker dan gewoon.

Weet je, jongen, soms denk ik dat we allemaal vreemdelingen zijn.

Hij denkt: Ik ben een gewenste vreemdeling. Maar zij was dat niet. Haar verleden maakte haar vooruitziend; zij weigerde zich te laten herschrijven. Vluchtelingen dragen verhalen als littekens. Ze zien wat wij niet zien – de draden achter de schermen, de stemmen in de muren.

Zelfs als we ergens thuishoren, voelen we ons alsof we er niet echt bij horen.

Maar jij bent mijn papa. Dan hoor je toch bij mij?

Ja, bij jou wel. Maar de wereld is groot, en soms is het alsof ik nergens echt vast kan grijpen. Alsof alles… drijft.

De jongen naast hem, verdiept in zijn schrift, kijkt op. Waarom bewaar je die veer, papa? Tobo glimlacht verrast. Je hebt gelijk, sommige dingen hoef je niet vast te houden om waardevol te zijn. Hij laat de veer los en ziet hoe ze langzaam naar beneden dwarrelt, twijfelend tussen vallen en vliegen—net als hij.

Tobo is toeschouwer van de zwevende veer, maar geen toeschouwer meer van deze wereld. Implantaten, updates werden ons uiteindelijk fataal. Deze gedachte snijdt hem diep. Hij vraagt zich te vaak af of zijnverzet misschien te laat komt, of zijn strijd slechts een schaduwspel is. Hij voelt de kogel nog steeds—altijd daar, altijd dreigend. Maar voor het eerst is er iets anders: een lichtheid, een adem van vrijheid. Hij lacht, zacht, alsof de wereld even stilvalt. De kogel is niet verdwenen, maar de angst wel. Hij begrijpt nu: de kogel hoort bij hem, Enni niet. Net als de chaos, de eenzaamheid, de onbeantwoorde liefde. Het zijn geen vijanden. 

Tobo kijkt naar de jongen, die nog steeds in zijn schriftje schrijft. Zijn handen zijn klein, maar de letters zijn precies, alsof ze door een volwassene zijn geschreven.
Wat schrijf je daar? vraagt Tobo.
De jongen kijkt op.
Jouw verhaal, papa. Het verhaal dat je jezelf nooit hebt verteld.

Herinner je, ik viel ooit van een planeet die niemand meer vindt. Sindsdien wacht ik.
Tobo voelt een rilling. Tobo voelt de herinnering aan het verhaal dat hij de jongen vertelde. Was er een moment dat hij hem liet verdwijnen?

De nacht valt over de boot. Tobo zit op de rand van de boot, zijn voeten bungelen boven de leegte. De zon is eindelijk ondergegaan, en de lucht is gevuld met kleuren die hij niet kan benoemen. De jongen slaapt tegen zijn schouder, het schriftje nog steeds geklemd in zijn kleine hand.

Ook ik ben volgens Tobo een vreemdeling, en nog meer bepaald een kind. Om Tobo te begrijpen heb ik nooit het geduld gehad, maar wel veel tijd samen, want ik was piepjong toen ik viel. Om een vreemdeling echt te begrijpen heb je die tijd nodig. Soms vraag ik me af of een gewenste vreemdeling niet wereldvreemd is, en hierdoor zijn eigen gemoedsstemming in overeenstemming brengt met zijn vele sociale contacten, waar hij zich steeds vermoeiend bij vreemd voelt. Tobo is onbegrijpbaar eenzaam en eeuwig op zoek naar iets wat hij niet geven kan, in een fantasierijke wereld waar volgens hem iedereen een vreemdeling is en Skiropen zijn menselijke verlangen zijn.

De jongen mompelt in zijn slaap: Papa, waar gaan we naartoe? Tobo aait over zijn haar. Nergens, jongen. We zijn er al.

De veer dwarrelt tussen hen in, zwevend, alsof de tijd stilstaat. Het schriftje ligt op de grond. Tobo merkt de laatste zin: We zijn er al !

Welke plaats wil je eigenlijk?

Mag ik je een jaar vergeten? Haar vraag hangt nog steeds in zijn hoofd. Bloei ik niet enkel op door een verliefde blik? Je hebt lief, en dat heb je voor de rest van je leven, had ze hem toevertrouwd. Hij had de woorden opgeslagen, alsof ze zijn leven zouden veranderen. Zo wilde hij het ook geloven. Maar zij was het die lief had voor het leven. Hij niet. Zijn liefde voor de liefde is sterker dan zijn vertrouwen. Te vaak koppelthij het verlies van een liefde aan de angst voor eenzaamheid, en zo kon hij blijven geloven in onbestaande liefdes.

In de weelde van zijn dromen was er veel plaats. Hij probeerde veel liefde te ontvangen en te geven. Ik voelde me ongeliefd door jou. Was hij dan zo emotioneel afwezig? Stapt hij in geen enkeledroomboot? Waar gelooft hij uiteindelijk in?

Eerder die avond overschouwde Tobo de ruimte waarin hij zich ongemakkelijk voelt. Een warme ruimte die hij goed kent. Een feestje vult dit appartement met veel mensen, die zich in groepjes verdelen als bubbels met elk hun eigen inwoners en gesprekken, bubbels die organisch bewegen doorheen de vele ruimtes die haar inwoners afstoot en anderen dan weer aantrekt. Dat alles op een ritme alsof de wiskundige regels van de scheikunde zich hier absoluut willen laten gelden. Op zich geen enkele reden tot ongemak, maar Tobo blijft afzijdig en loopt zwijgend tussen die organische bewegingen rond alsof hij van een afwerende materie is vervaardigd. Af en toe probeert hij in een bubbel terecht te komen, maar krijgt geen greep op de gesprekken. Hij blijft daar ergens zwijgend als een vreemde observeren en eenzaamheid sluipt meer en meer mijn hoofd binnen. De angst voor een groep is waarschijnlijk universeel. Een groep binnendringen, er zijn plaats eisen is een hele onderneming en iedereen heeft en krijgt er zijn eigen rol. Hij is een observator, maar overstijg de observatie moeilijk. Drank, sigaretten zijn uiteraard welkom op zo’n momenten, maar de idee dat ze het makkelijker maken is illusoir. Dansen is de beste vluchtweg, of foto’s maken, maar dat voelt meestal niet als gepast aan. Waarom voel ik me niet goed? De roep naar contact!

Waarom doe je niet alsof?, gaf iemand hem ooit mee als oplossing voor zijn stilzwijgend ongemak. Komt mijn eenzaamheid uit mijn complexiteit? Ik ben toch een sociaal en graag gezien iemand? Eenzaamheid is de grootste hedendaagse epidemie, beweert een vriend. Ik sta voor het raam naar buiten staan gapen. Misschien sneeuwt het wel en dan heb ik enig plezier aan het observeren van die kleine dwarrelende vlokjes. Misschien herinneren ze me aan een zachtheid. Ik heb geen man nodig om geluk te vinden, zegt ze hem. Zo hoort geluk ook aan te voelen. Eenzaamheid bevind zich niet op de grens met liefde of geluk, ze maakt er deel van uit. Hij antwoord niet. Hij heeft geleerd om niets meer te zeggen. Hij heeft geleerd om te luisteren. Praten heeft hem te veel geërgerd; het heeft hem dingen laten zeggen die hij niet wilde zeggen. Hij kan zijn eigen woorden niet verdragen. Hij is hierin te serieus geworden en kan geen afstand meer nemen van wat hij als zwakte ziet. Hij kan vernedering niet aan. Een vernedering die hij enkel zichzelf aandoet.

Alleen zijn tussen mensen is het meest confronterend als je er mensen kent. Maar hij krijg mezelf minder en minder over de drempel om te praten. Eén iemand heeft hem aangesproken, maar hun gesprek heeft niet lang geduurd. Hij onderdrukt zijn eigen stem. Die momenten zijn bijzonder eenzaam, hij voelt zich contactgestoord. Woordloos. Hij heeft hier geen verweer tegen. Zijn eenzaamheid is hier niet meer ongemerkt. Hij wil niet zo gezien worden. Angst en schaamte overmeesteren hem en hij bereid zijn vluchtweg stiekem voor. Weinigen zullen merken dat hij vertrekt. Het overvalt hem telkens weer al jarenlang. Hij stapt de nacht in richting het station. 

Tobo geeft een harde kik tegen de drempel van het station, waarmee hij al zijn woede en frustratie van zich wil afwerpen. Hij heeft er niet op gerekend dat deze uitbarsting van razernij zijn evenwicht zou verstoren en een teen kneust. Hij valt. Vallen doet pijn. Vallen voelt niet goed. Vallen geeft schaamte. Als we vallen, verliezen we controle. Als we vallen, bekijken anderen ons met bezorgde, onbegrijpelijke blikken. Blikken die veroordelen, blikken die controleren, blikken die uitkijken, rondkijken en zich afvragen of er al dan niet geholpen moet worden.

We vallen door onze overmoed, onze drang om onaantastbaar te zijn of door onze onoplettendheid, wanneer we denken dat de wereld ons niets meer kan maken. En dan, onverwacht, overvalt de wreedheid van deze wereld ons. Ze grijpt ons bij de kraag en werpt ons neer. Zet ons oog in oog met onze kwetsbaarheid — diezelfde kwetsbaarheid waartegen we ons een leven lang verzetten,
waarvoor we muren bouwen, maskers dragen, en ons verdedigen alsof we er zonder kunnen leven.

Ik kan deze kwetsbaarheid aan, denkt hij. Hij veert gegeneerd overeind, schuchter om zich heen kijkend, zoekend naar zijn gevallen rugzak. Zijn gedachten dwalen af naar de broosheid van zijn relatie, naar de jongen, die meeleeft met veel van zijn vragen en problemen, waarvan hij niet zeker is of ze nodig waren in de opgroeiende fase van een kind, maar zo is het nu eenmaal.

Wat valt er nog te verliezen? Zijn al verloren liefdes? Een schok van angst grijpt zijn hart. Hij kan niet meer helder denken. Hij loopt naar binnen, maar draait zich plots om en stapt weer naar buiten — hij heeft behoefte aan frisse lucht. Het doet deugt om een flinke scheut zuurstof tot zich te nemen, daarbij de ogen te sluiten en te beseffen dat die zuurstof tot in alle dieptes en holtes van je lichaam afdaalt. Maar dat doen ze niet. Een grote schok gaat door zijn lichaam en tilt hem op alsof hij in hypnose ten dans wordt gevraagd. Zijn adem stokt. De zuurstof concentreert zich op het verzachten van de pijn van alle botten die in hem kraken. Hij heeft nog net zijn ogen kunnen openen, doch begrijpt de hoeveelheid van beelden die op hem afkomen niet. En dan wordt alles zwart. Hij valt.

Haar spel is fascinerend. Haar benen losjes op een stoel, langzaam bewegend terwijl ze praat. Haar sexy tanden bevatten hem. Het chaotische in haar heeft de schoonheid van een loofbos. Achter haar mystiek wil hij dolgraag komen. De zee bewaart de wijsheid van het leven en schuwt daar het licht. De vrijgevigheid die van haar geëist wordt, neemt ze ongenadig en eigenmachtig terug van diegene die haar in hoogmoed of in wanhoop trotseren. Tobo staat op het dek, kijkt naar de horizon. Het is altijd makkelijker om de andere kant uit te kijken. Deze boot draagt hen mee naar onbekende oorden, waar hun reis pas begint. 

Heb je me lief? Haar stem snijdt door de wind. Tussen ja en nee liggen alleen maar leugens. Is het niet zo dat het leven alleen maar afstand wil nemen van liefde? Moeten we ons telkens weer laten storen om liefde te vinden? Ze kijkt hem aan met vragende donkere ogen. Hij, die het zo moeilijk heeft om lief te hebben, snakt er heimelijk naar.

De zoute wind verweert de malse gladheid van haar huid. Hij keert zich naar haar toe, buigt zich langzaam naar haar lippen. Hij proeft het zout, vindt rust in haar ogen. Ja, fluistert hij in haar oor.

Ze lopen zwijgzaam terug naar hun kajuit. De realiteit die zich voorhoudt heeft geen woorden nodig, is machteloos tegenover de kracht van twee lichamen die elkaar vasthouden. Het bordje ‘Do not disturb’ houdt de wacht. Hun naaktheid met haar glooien en heimelijke holtes, bespeurd door hun handen, vult de kamer. Hun dierlijke geur vult de hut als stroop in water. Tobo zuipt haar in, alsof hij elke kracht uit zichzelf wil halen om de storende gedachte te elimineren dat er ooit een eind komt aan deze lust. Ze uit zich bloot, door niets te zeggen, door geen woorden te gebruiken, door zacht te kreunen, door te genieten. Ze zijn zeiknat.

Maar later, als hij door de lens van zijn camera naar haar kijkt, zegt ze hem: Ik ben jaloers op het leven. Ze vraagt hem bij haar te blijven, maar niets is zeker. Geen blikken, geen gevoelens, geen dromen, geen geven, geen nemen, geen leven in liefde. Hij is in dit liefdesbad gestapt om alle aroma’s te proeven. Een verlangen naar verlangen zonder complicaties, een verlangen naar diepe seksualiteit. Hij wil het nu.

Na hun eerste liefdesweek laat de adrenaline sporen na in zijn bloed. Het heerlijke aan obsessie is de totale onderdompeling in een verfrissend luxueus bad. 

Ze houdt van zichzelf in de ogen van haar geliefdes. Tobo doet een stap achteruit, overschouwt het beeld voor hem door het vizier van zijn fototoestel. Ik ben jaloers op het leven, herhaalt ze. Hij begrijpt het nauwelijks. Ik kan geen afstand doen van mijn geliefdes, vertrouwd ze hem toe terwijl ze met zichzelf speelt voor zijn kijkend oog door zijn lens. En dan vergeet ze volkomen dat hij er nog is, totdat hij naast haar komt liggen. Haar hoofd valt dronken op zijn borst.

Tobo opent zijn ogen. Dit bed voelt vreemd aan. De jongen zit naast hem en kijkt hem blij aan. Blij omdat zijn vader wakker wordt. Blij dat deze angstige periode over is. Blij dat ze terug samen zijn. Tobo had besloten de onzekerheid van morgen te aanvaarden. Of kwam het besluit er juist door deze ontmoeting? Hij geeft bewust geen antwoord op de vraag. Maar nu, met de jongen naast hem, vraagt hij zich af: Welke plaats wil ik eigenlijk?

Hij wil overeind komen, maar voelt plotseling de pijn in zijn botten en wordt weer herinnerd aan zijn val. Aan de geluiden.

— Je hebt geluk gehad. Je had onder een auto terecht kunnen komen. Uiteindelijk kom je eraf met een paar gebroken botten.

— Ik denk dat we klaar zijn. We moeten hier weg. Morgen nemen we een bus naar het Onbekende.

— Vergeet je me morgenvroeg niet wakker te maken?, vraagt de jongen geëxciteerd door de idee op reis te gaan. Tobo lacht, alsof hij de jongen zou vergeten mee te nemen? Zou hij schrik hebben dat ik hem verlaat?