Shining Monkey

7 Ik besef plots dat hier geen bus meer vertrekt naar de stad waar ik verblijf. In ben in Chitrakot, een filmisch decor met een waterval. Ik zit op één van se vele straatshops en vind wat tijd om te schrijven onder de nieuwsgierige aandacht van een jongetje dat net van school terugkomt. Ik vraag hier of er nog een bus is, en ze knikken neen. Ik ben niet zeker wat ze bedoelen. Plots hoor ik een bus vertrekken en vliegensvlug raap ik mijn spullen bijeen en loop de bus achterna. Ik stap op, maar iets verder moet ik uitstappen. Deze bus gaat helemaal mijn richting niet uit. Nu wordt het me echt duidelijk: er is geen bus meer terug. Op deze site is ook geen overnachting mogelijk. Plots komt het schooljongetje op me af. Hij brengt me mijn fototas met al mijn fotomateriaal en schrijfsels. Dat was ik in mijn haast vergeten in de straatshop. Ik besef mijn grote geluk maar weer eens en uit het niets komt een jonge man op me af en stelt me een lift voor met zijn grote jeep. Mijn zoektocht om naar de stad te geraken wat hier niet ongemerkt gebleven en zonder ik het zelf besefte wat het de ronde gegaan. Een grote chaos aan de buitenkant, maar bijzonder georganiseerd. Chaos is nooit chaos vanuit het standpunt van de wanorde.

Indië dat ik ontdek heeft veel weg van een pretpark. Hoe anders kan ik Indië bekijken met hun 5000 goden, waarvan één ervan een Shining Monkey God is, met zijn eigen «monkey» tempel. Of slapende heilige mannen die vanuit hun liggende houding op de grond een aalmoes vragen voor een foto met een Holy Man. Dit land heeft een pensioen opgestart om oude Heilige Koeien op te vangen, maar vrouwen dragen de lasten van zware hete asfalt op hun hoofd. Kasten zijn hier nog een traditie, maar daar merk ik weinig van. Ik loop een cinema binnen om ‘Tiger”, de film van het jaar te zien, waarbij het publiek roepend en gillend de film volledig beleeft. En als Indië verheerlijkt wordt, voel je het nationaal gevoel bij het publiek. In India heb ik vaak over eerlijkheid gesproken. Toch denk ik niet dat ze echt zo’n bedriegers zijn zoals ze zelf ook beweren, omdat vreemdelingen hun dat steeds voorhouden. Ze proberen ook maar te overleven. Het is hun manier van handelen. Ze spelen en ik speel mee. Het maakt mijn reis veel aangenamer. Ze bekijken je strak met hun gitzwarte ogen aan. Ze staren zoals de zon met een loep een bussel hout zou doen branden. Dan glimlach ik hen toe en soms glimlachen ze terug. Maar soms ook niet, zoals de vrouwen en mannen die ik in verlaten gebieden tegenkwam in Shattisgharth. Ze spelen en ik speel mee.
De watervallen van Jopalpur. Het is momenteel het droge seizoen, hoe zou deze streek er tijdens het regenseizoen uit zien? Groen, vochtig, kleurrijker? Ik strand in Kutry. Bestemming was het krokrodillenpark, maar de politie houd ons tegen. Terroristen zouden de streek namelijk onveilig maken. Ik probeer meer te weten te komen, maar dat lukt me niet. Het park is ontoegankelijk. Ik wandel in het tropische woud van Kutry. De grond is droog en rood, alsof ik op een ader van de wereld loop, dicht bij zijn hart. Ik loop een dorpje binnen. De gekleurde groen-blauwe huizen huizen strelen mijn oog. Ik doe iets vreemd. Ik zet me neer onder een boompje in het dorp en begin daar te schrijven. Was hier een terrasje geweest, had ik me daar zeker neergevlijd. Er wordt eerst een man op me afgestuurd om te zien wat ik hier kom doen. De bewoners hadden al argwanend naar me gekeken toen ik door hun aarden straten langs hun huizen liep. Heel langzaam komen de anderen dichterbij. Ik leer twee kinderen jongleren.
Zelf de koeien verkleden zich hier. In Hyderabad kan ik niet omkijken naar de vele van kop tot teen gesluierde vrouwen. De vele kleuren op de gewaden van de vrouwen trekken hier weg naar zwart. Een bizar gevoel in een toch gekleurde stad. Af en toe voel ik vrouwen vanonder hun gewaard staren en ik vind dat niet eerlijk. Waarom mogen zij mijn aanstaren en ik hen niet.