Ik wijs hem op iets wat me al dagen bezighoud: waarom zijn het altijd Indiërs die de winkels runnen, hier op het eiland? De geschiedenis verklaart het gedeeltelijk: de Engelse bezetting, de Indische contractarbeiders die na de afschaffing van de slavernij zijn gekomen. Maar waarom, nu, decennia later, zijn er nog steeds amper zwarte Creolen die zelf een zaak beginnen? Het lijkt zo’n voor de hand liggende manier om de armoede te doorbreken, om grip te krijgen op je eigen leven.
Zijn antwoord komt zonder aarzelen, alsof hij de vraag al honderd keer heeft gehoord: “In onze gemeenschap is er geen respect voor succes. Als je een winkel opent, komen ze allemaal hun deel opeisen. Zwarten verwachten gratis te krijgen wat jij hebt opgebouwd. Je kunt niet voor jezelf houden wat je hebt.” Hij zei het niet boos, maar als een vaststaand feit, iets wat hij had geaccepteerd.
Het trof me. En toen drong het tot me door: dit is precies hetzelfde als in Matongé, in Brussel. Ook daar waren het de Indiërs of Pakistanen, die de winkels runnen. Alsof de wereld, waar je ook was, dezelfde ongeschreven regels heeft.