07 Sesel – het is wat het is

Ze besluit terug te gaan naar België. Ik mag blijven. In het huis. Met de auto. Op een eiland dat ooit Engels was geweest, waar je links reed, waar de wegen donker zijn en het tegenlicht je verblindt.

Een nacht rijd ik met Louka naar de hoofdstad. Een halfuur over slingerende wegen, met tegenliggers die ons verblinden, met bussen die ons voorbij razen. Ik voelde me nietig, kwetsbaar, alsof het eiland ons elk moment kon opslokken.
Eric was alweer vertrokken, de zee in getrokken voor nog eens vier maanden. Zijn boot, een metalen kooi die de zeebodem afschraapte, sleept hem mee op een eindeloze jacht naar zalm—vier maanden opgesloten, zonder ontsnapping, terwijl de netten alles meesleuren wat ze tegenkwamen, onverbiddelijk, genadeloos. Soms, als de boot vol is en geleegd moet worden, komt hij even aan wal, maar verder blijft hij gevangen in die cyclus: vissen, leeghalen, weer uitvaren. De zalm belandt direct in de fabriek, ingeblikt, klaar voor de westerse markt. Ik gruwel van het idee, van die kille efficiëntie, en in Erics ogen zie ik hetzelfde—een flard van twijfel, een schaduw die hij snel wegdrukt. “Het is mijn werk,” zegt hij, en misschien is dat genoeg. Vier maanden op zee, vier maanden thuis, meestal Parijs. Hij heeft voor dit leven gekozen, of misschien heeft het leven voor hem gekozen. Het maakt niet uit. Het is wat het is.