01 Sesel – deze ochtend is bijzonder

Deze ochtend is bijzonder. Louka is al op en loopt wat zenuwachtig rond in de kamer. Ik kom binnen en we doen ons vertrouwde begroetingsritueel: een zachte ‘goeiemorgen’. We blijven wat hangen, ik met mijn koffie – er is niets meer te eten thuis. Ik voel me triest, hij ook, maar op een andere manier. Plots besef ik wat hij me opnieuw duidelijk maakt: straks vertrekt hij een maand met zijn mama, en daarna zijn wij een maand weg. Hij wil onze laatste momenten zo lang mogelijk rekken. Voor mij is dat moeilijker; ik geef hem meer schik dan zorgeloze ideeën mee. Ons afscheid streelt nog steeds mijn rug, maar straks vertrekt hij zonder mij, voor een maand. Daarna vertrekken wij naar de Seychellen.

Hij is zo lief, hij is zo mooi.
2/7/20210

02 Sesel – Beau Vallon

Ergens in de winter, toen de dagen kort waren en de lucht grijs, vroeg Nora of ik met haar en Sasha mee wilde. De Seychellen, zei ze, alsof het een belofte was. Ik aarzelde—niet zozeer omwille van haar, maar omwille van het idee zelf. Een bestemming kiezen was altijd al een worsteling, alsof je een verkeerde keuze kon maken, alsof vakantie een fout kon zijn. Maar de Seychellen… Dat was nieuw. Dat was een eiland dat ik nog nooit had overwogen, een plek die zich niet aan me had opgedrongen. En toch, Nora’s avontuurlijke geest, die trok me over de streep. Louka werd dertien.


De luchthaven doet denken aan Berchem, maar dan met een landingsbaan die zich als een dunne vinger aan de oceaan uitstrekte. De piloot moet goed opletten. We stappen via een smalle trap uit het vliegtuig, lopen over het asfalt, de warmte tegemoet, naar een hal die meer weg had van een voetbalkantine dan van een luchthaven.

03 Sesel – neven

Louka en Sasha—twee jongens die zichzelf neven noemen, hoewel ze dat niet zijn. Nora kent Louka’s moeder al sinds ze kinderen waren, en zo zijn de ‘neven’ samen opgegroeid, in elkaars leven verweven. Na mijn scheiding bleef ik in contact met Nora, omwille van die band. Nora had een leven geleid dat zich niet liet vatten in eenvoudige woorden: een gemengd huwelijk, België-Marokko, Frank—de liefde van haar leven—die er niet meer was, en een terugkeer naar Europa die meer voelde als een vlucht dan als een keuze. Ze is hard, maar niet kil. Eigenzinnig, maar niet onvriendelijk. Ze heeft een levenslust die je niet kan negeren, een manier van doen alsof de wereld haar niets kan maken, alsof ze alles al gezien heeft en toch nog steeds hongerig is naar meer.

04 Sesel – het land van natuurlijke sculpturen

En nu zijn we hier. Op dit eiland. In een huis van Franse expats, mensen die Nora kent via Eric, een visser die maandenlang op de Indische Oceaan doorbrengt, op jacht naar zalm. Eric en Nora—daar is iets, maar wat precies? Zij lijkt het niet te willen. Ik ken hem amper, maar voel de spanning tussen hen, als een storm die nog niet is losgebarsten. Voor Nora ben ik misschien de afleiding na een maand met Eric. Maar dit is niet de rol die ik wil invullen.


Het huis dat Nora mag gebruiken was kaal en onpersoonlijk, alsof het alleen maar dient als een tijdelijke schuilplaats. De muren zijn blanke doeken, de meubels schaars en functioneel, alsof elk overbodig voorwerp is weggenomen. In de keuken flikkert het kille, witte tl-licht, een schril contrast met de warme avonden buiten. Het lijkt me dat Franse expats die hier woonden, het huis hebben verlaten alsof ze wisten dat ze slechts gasten waren, tijdelijk neergestreken voordat ze terugkeerden naar Parijs en hun echte leven.

05 Sesel – Eric en Nora

De eerste dagen zijn een mengeling van zon, zand en cocktails. Louka en Sasha, onafscheidelijk, genieten van het strand alsof het het enige is wat telt. Maar ik voel me gevangen in een ritme dat niet het mijne is. Ik wil avontuur, niet alleen maar liggen in de zon. Ik wil met Louka zijn, zonder de anderen, zonder de verwachtingen. Ik wil met hem in bussen stappen, zijn verhalen horen, zijn blik zien als hij iets nieuws ontdekt. Nora rijdt overal naartoe in een auto die niet van ons is, langs wegen die zich slingeren door intens groen. We gaan naar het strand, stranden, witte en eindeloze. Zee, blauw en diep. Reuzenschildpadden, traag en majestueus. De stranden liggen bezaaid met kolossale rotsblokken, door de zee geslepen en gevormd, hun ruwe randen gladgestreeld door jaren van zout en branding. Het water heeft ze als een beeldhouwer bewerkt, tot ze staan als sculpturen, gevormd door de eindeloze dans van golven en tijd.


Ik ga alleen op pad. Wandelen. Kinderen tegenkomen. Hun lachen, hun nieuwsgierige blikken. Maar het is niet genoeg.

06 Sesel – niet uitgesproken dankbaarheid

Het loopt slecht af tussen Nora en mij. Mijn frustratie groeit, en op een dag kan ik het niet langer verbergen. Zij geeft toe dat ze gehoopt had dat ik het avontuur zou brengen, dat ik de dingen zou veranderen. Ze had er genoeg van, die eindeloze weken met Eric op dit eiland. Ze is te lang hier geweest, had elke hoek al tien keer gezien, is het beu. Anderhalve maand.


Er blijft iets onuitgesproken hangen tussen ons, iets wat misschien nooit helemaal duidelijk zou worden. En toch, nu ik erop terugkijk, voel ik een stille dankbaarheid voor die uitnodiging, voor die weken die we hier samen doorbrachten. Ik heb het haar nooit gezegd, en dat is misschien wel mijn grootste spijt: dat ik niet duidelijk maakte hoe fijn het soms was, ondanks alles. Want tussen de frustratie en het ongemak door waren er ook momenten van lichtheid, van een aangename, bijna onbezorgde tijd die ik niet had willen missen.

07 Sesel – het is wat het is

Ze besluit terug te gaan naar België. Ik mag blijven. In het huis. Met de auto. Op een eiland dat ooit Engels was geweest, waar je links reed, waar de wegen donker zijn en het tegenlicht je verblindt.

Een nacht rijd ik met Louka naar de hoofdstad. Een halfuur over slingerende wegen, met tegenliggers die ons verblinden, met bussen die ons voorbij razen. Ik voelde me nietig, kwetsbaar, alsof het eiland ons elk moment kon opslokken.
Eric was alweer vertrokken, de zee in getrokken voor nog eens vier maanden. Zijn boot, een metalen kooi die de zeebodem afschraapte, sleept hem mee op een eindeloze jacht naar zalm—vier maanden opgesloten, zonder ontsnapping, terwijl de netten alles meesleuren wat ze tegenkwamen, onverbiddelijk, genadeloos. Soms, als de boot vol is en geleegd moet worden, komt hij even aan wal, maar verder blijft hij gevangen in die cyclus: vissen, leeghalen, weer uitvaren. De zalm belandt direct in de fabriek, ingeblikt, klaar voor de westerse markt. Ik gruwel van het idee, van die kille efficiëntie, en in Erics ogen zie ik hetzelfde—een flard van twijfel, een schaduw die hij snel wegdrukt. “Het is mijn werk,” zegt hij, en misschien is dat genoeg. Vier maanden op zee, vier maanden thuis, meestal Parijs. Hij heeft voor dit leven gekozen, of misschien heeft het leven voor hem gekozen. Het maakt niet uit. Het is wat het is.

08 Sesel – de jongeman en de boot

Nora ontmoet een jongeman, een lokale man zonder werk, zonder perspectief. Ze stelt voor dat hij toeristen naar afgelegen stranden zou brengen, dat hij vis zou vangen en koken, dat hij een activiteit waar hij iets mee kan verdienen zou opbouwen. Maar hij heeft geen geld, geen vertrouwen. Nora koopt hem een koelbox, alsof dat genoeg was. Het is niet genoeg, hij heeft geen enkel commercieel gevoel en zal uiteindelijk niets met de koelbox aanvangen. Toch brengt hij ons naar een strand, waar hij verse vis, die hij vangt, voor ons bakt, kokosnoten kraakt, alsof hij ons iets wil geven dat hij zelf niet heeft.


Toen Nora vertrokken was, bezocht ik hem in zijn sloppenwoning. Zijn familie. Armoede, maar ook trots. Een playstation, elektriciteit, vis die ze zelf vangen. Zijn vrouw werkt in Victoria, maar het dat is niet genoeg om een degelijk huis te kunnen bouwen. Ze leven, maar ze leven niet groot. Met zelf gevangen vis komen ze niet om van de honger. Ze lijken me niet ongelukkig, maar daar hebben we het nooit over gehad.

Visual Portfolio, Posts & Image Gallery for WordPress

09 Sesel – rondtreken in zoli pei

Pou nou zoli pei:
Deside pou ou pas servi en sak plastik ozordi, 
sa pou ede gard Sesel prop e zoli. 
Merci pou ou zefor

Management ‘Terminal Shop’

Visual Portfolio, Posts & Image Gallery for WordPress

10 Sesel – handel

Ik wijs hem op iets wat me al dagen bezighoud: waarom zijn het altijd Indiërs die de winkels runnen, hier op het eiland? De geschiedenis verklaart het gedeeltelijk: de Engelse bezetting, de Indische contractarbeiders die na de afschaffing van de slavernij zijn gekomen. Maar waarom, nu, decennia later, zijn er nog steeds amper zwarte Creolen die zelf een zaak beginnen? Het lijkt zo’n voor de hand liggende manier om de armoede te doorbreken, om grip te krijgen op je eigen leven.
Zijn antwoord komt zonder aarzelen, alsof hij de vraag al honderd keer heeft gehoord: “In onze gemeenschap is er geen respect voor succes. Als je een winkel opent, komen ze allemaal hun deel opeisen. Zwarten verwachten gratis te krijgen wat jij hebt opgebouwd. Je kunt niet voor jezelf houden wat je hebt.” Hij zei het niet boos, maar als een vaststaand feit, iets wat hij had geaccepteerd.


Het trof me. En toen drong het tot me door: dit is precies hetzelfde als in Matongé, in Brussel. Ook daar waren het de Indiërs of Pakistanen, die de winkels runnen. Alsof de wereld, waar je ook was, dezelfde ongeschreven regels heeft.