Het viergeslacht

“Ik zou graag eens in je hoofd kunnen inkijken,” schrijft de jongen in zijn schriftje. “Dan zou ik je verhalen beter begrijpen.”
“Deze onrustige tijden maken me nerveus.” Zo’n soort onrust waarbij je zou willen dat je hoofd een doorgang had zoals een museum waar mensen via een audiogids uitleg krijgen. De onrust bereikt de jongen, maar Tobo begrijpt niet dat zijn eigen onrust niet automatisch die van de jongen wordt. Hij kijkt Tobo aan met die blik van iemand die hoopt dat er in zijn hersenen minstens een paar nette kamers te vinden zijn, maar verwacht een chaotische garage met vergeten rommel, waar de herinneringen en gedachten zich opstapelen.

Tobo was vier jaar oud en weigerde zijn ogen te openen. Niet uit koppigheid, maar uit pure filosofische overtuiging:
“Als ik niets zag, bestond de wereld niet. En als de wereld niet bestond, hoefde ik ook niet naar de juffrouw te luisteren. De juffrouw was een gigantisch wezen met een hoofd dat de zwaartekracht trotseerde. Midden in dat hoofd zat iets wat leek op een verfrommeld stuk papier dat bewogen werd door onzichtbare handen. Later ontdekte ik: het was haar mond.”
Op dat moment dacht hij alleen maar: “Dit personage zou nooit door een kinderboekuitgeverij raken.”

“Vandaag hebben we het over onze papa’s!” riep ze enthousiast. Hij opende één oog. De andere kinderen zaten in een cirkel, als kleine paddenstoelen die bereid waren om over vaders te filosoferen. Hij voelde zich ondertussen meer als een verloren sok in een wasmachine.

“Jij weet niet wat je papa doet voor werk?” vroeg ze. Tobo schudde zijn hoofd. In zijn herinnering was hij de enige en leek dat enorm erg.

Toen werd hij ontvoerd — niet door criminelen, maar door zijn eigen verbeelding.

Tobo herinnert zich leunend tegen een boom. De boom had hem aangesproken — of hij dacht dat. Soms zijn bomen duidelijk, soms klinken ze als een buurman die je naam roept terwijl hij eigenlijk zijn hond corrigeert. Toch voelde Tobo dat de roep ergens juist was. Zijn wens zweefde in zijn borst als een kristallen bol op zoek naar de juiste plek in zijn ribbenkast. Zijn handen gingen naar de stam en bij het zachte contact leek de boom te dansen op de klanken die alleen in Tobo’s binnenste bestonden. Hij opende zijn gesloten ogen, keek omhoog naar de omarmende kruin en sprak zijn wens hardop uit: “Ik zou graag een mooi boek schrijven.” En alsof een gedachte van nature een tijdmachine is, herinnerde Tobo zich een foto, het viergeslacht.

Misschien was het een droom.
Misschien een eerste paniekaanval.
Misschien een slecht getimede fantasie.
De droom brandde af.

Het enige wat hij zeker weet: “Vanaf toen was ik professioneel geheim agent.”

Het bracht hem naar het Museum van Verloren Dingen: een gebouw gewijd aan alles wat de mensheid kwijtraakt. Onvoltooide projecten, vergeten mensen, slechte beslissingen. Maar ook zijn eerste echte schrik? Een operatie toen hij klein was. De artsen zeiden: “Het is een kleine ingreep.”
Vierendertig jaar later protesteert zijn lies nog steeds. De fragiliteit van geluk kwam op hem af als een vlieger die plots de wind verliest: zo is het leven nu eenmaal. Tobo moest afstand nemen van zijn vorig leven. Hij staat in de tuin met een doos en een lucifer. Hij gooit er oude brieven in, mislukte gedichten, alles wat hij in achttien jaar bijeen had geschreven. Hij besloot alles te verbranden. Er ontstaat een vlam. Een gigantische vuurbol. En dan is alles weg. “Waarom?”, vraagt de jongen zich af? “Waarom wou je weg?” Achttien jaar gingen in enkele luttele minuten op. En zo wou ook hij weg. Altijd. Zijn schrijfsels brandden weg, maar zijn gedachten bleven. Ze bleven altijd. Alles glipt door hem heen: metaal, papier, trots. Maar ergens blijft een vonkje hangen. Wat hij niet kwijtraak, brandt helderder dan alles wat hij onderweg verloren is. Mensen verdwijnen uit zijn leven — niet omdat ze sterven, maar omdat hij vergeet ze vast te houden.

Tobo probeert tijd in plannen te stoppen, maar ook deze liggen ergens onder het stof van het museum. Tegenwoordig hangt zijn liespijn er ergens ingelijst als “Artistieke Moed”. Bezoekers mogen erop drukken voor inspiratie. Met een ondertitel “Gedachten zijn niet onschuldig”. Ze zijn het enige dat je nooit kunt verliezen — zelfs als je ze probeert te verbranden.

Het is de afwezigheid die hem parten speelt. De afwezigheid van het viergeslacht benadrukt door de onderbelichte grijzigheid van de foto. De foto was een opdracht van de overgrootmoeder van de jongen. Rond kerst, want dat is nu eenmaal het uitgelezen moment om een familieportret te maken — en het slechtste moment om een amateurfotograaf op zo’n taak te zetten. Tobo was die amateur. Het resultaat had een beperkt kijkgenot. Een kwaliteit waarvan hij dacht dat hij ze de wereld in kon sturen, maar dat was een vergissing die je alleen maakt als je jong en onbezonnen bent. Het negatief ging verloren. De foto leeft enkel voort in de levendige fantasie van Tobo.

Het confronteerde Tobo met zijn eigen afwezigheid. Met het verlies van zijn eigen kracht, het verlies van zijn eigen omgeving. Zijn beelden daarom zo belangrijk voor hem geworden? Als geheugen voor afwezigheid? Zijn afwezigheid in dat viergeslacht? Zijn vlucht in zijn geschriften? De verloren foto, het grijze onderbelichte beeld werd uiteindelijk zijn bestemming. Zijn afwezigheid. “Foto’s maak je beter met je ogen,” denkt de jongen.

De jongen kijkt Tobo aan alsof hij probeert te beslissen of zijn hoofd eerder een bibliotheek of een rommelzolder was.
“Maar.. is dan echt alles verloren?” vraagt de jongen.
Tobo haalt zijn schouders op, niet dramatisch maar gewoon menselijk.
“Nee, zelfs wat ik kwijt ben, rammelt nog ergens in mij rond. Gedachten verdwijnen niet. Ze verstoppen zich gewoon achter dozen die ik nog moet uitpakken.”
De jongen grinnikt.
“Je bent eigenlijk een wandelend museum dat nog niet beseft dat het open is,” zegt hij. “Met heel veel verloren voorwerpen in slecht gelabelde kasten.”
“En met een curator die constant in paniek loopt,” voegt Tobo eraan toe. “En soms in brand staat.”
De jongen lacht luid.
“Maar wel een museum waar ik graag binnenkom.”